Vakinhoudelijke kennis
Wat wordt verstaan onder vakinhoudelijke kennis bij leerkrachten lichamelijke opvoeding?
Volgens Iserbyt et al. (2015) omvat vakkennis binnen de lichamelijke opvoeding alle kennis die een leerkracht bezit over een bepaald beweegdomein of sport. Deze vakkennis wordt onderverdeeld in algemene en specifieke vakkennis en bestaat uit vier kennisdomeinen.
Algemene vakkennis
Algemene vakkennis bestaat uit kennis van techniek en tactiek samen met kennis van regels en procedures. Deze algemene vakkennis is een vorm van kennis die iemand bezit om deel te kunnen nemen aan een sport of bewegingsactiviteit. Een deelnemer van een sport of bewegingsactiviteit beschikt over dezelfde algemene vakkennis als een leerkracht lichamelijke opvoeding. Een leerkracht onderscheidt zich dus niet van een deelnemer op het vlak van algemene vakkennis (Iserbyt et al., 2015). Een voorbeeld van algemene vakkennis is de spelregels van enkelspel tennis kennen (Iserbyt, 2025).
Specifieke vakkennis
Specifieke vakkennis bestaat uit de kennis van fouten en het remediëren, samen met kennis van taakprogressies. Specifieke vakkennis verwijst naar kennis die typisch is voor de leerkracht. Deze kennis gaat verder dan de kennis die nodig is om enkel aan een sport of bewegingsactiviteit deel te nemen. Deze vorm van kennis is exclusief terrein van een leerkracht. Het zorgt ervoor dat de leerkracht zich duidelijk onderscheidt van een gewone deelnemer aan een sport- of bewegingsactiviteit (Iserbyt et al., 2015). Dit is de kennis die een leerkracht nodig heeft om te kunnen onderwijzen. Een voorbeeld hiervan is weten dat leerlingen vaak hun hoofd opheffen bij crawl zwemmen en het voorzien van een gepaste remediëring. (Iserbyt, 2025).
Kennis van regels en procedures
Dit kennisdomein omvat kennis van regels. Het gaat over het kennen van de belangrijkste spelregels die bepalen hoe een spel gespeeld wordt. Het toekennen van een hoekschop in het voetbal is hier een goed voorbeeld van. Ook gaat het domein over de kennis van secundaire spelregels. De secundaire spelregels kunnen worden aangepast om de moeilijkheid van het spel te laten variëren. Maximaal twee contacten bij voetbal is hier een voorbeeld van (Iserbyt et al., 2015). Tot slot bevat dit kennisdomein procedures, deze beschrijven de stappen die nodig zijn om een activiteit tijdens de les te laten slagen. Hierbij worden verwachtingen en regels voor de leerlingen duidelijk en in concrete stappen uitgelegd. Wanneer procedures in de klas duidelijk zijn vastgelegd, aangeleerd en geoefend, worden ze routines (Victoria State Government Department of Education and Training, z.d.). Een voorbeeld van een procedure is de scheidsrechter een hand geven na een wedstrijd (Iserbyt et al., 2015).
Kennis van techniek en tactiek
Dit kennisdomein gaat over het herkennen van een spelprobleem (tactiek) en het toepassen van de juiste vaardigheid (techniek) om een probleem op te lossen. Daarnaast verwijst het naar de kennis en vaardigheden die nodig zijn om zelf deel te nemen aan een spel of bewegingsactiviteit. Ook het kunnen opnemen van een helpersfunctie, zoals het ondersteunen of begeleiden van medeleerlingen, valt binnen dit kennisdomein (Iserbyt et al., 2015). Volgens Harvey et al. (2010) hangt tactisch inzicht samen met het vermogen om tactische problemen in spelsituaties op te lossen door passende vaardigheden te selecteren en toe te passen.
Kennis van fouten en remediëring
Dit onderdeel van vakkennis gaat over het weten hoe een correcte uitvoering van een specifieke vaardigheid eruitziet. Het gaat daarbij om het herkennen van fouten en het kunnen remediëren ervan met gepaste oefeningen. Een voorbeeld uit een onderwijssituatie is dat indien een leerling niet tot scoren komt, de leerkracht de fout herkent en een gepaste remediëring aanbiedt (Iserbyt et al., 2015). Door feedback te geven aan leerlingen krijgen ze informatie over hun uitvoering, waardoor de leerlingen fouten kunnen corrigeren en hun motorische vaardigheden verder ontwikkelen (Zhou et al., 2021).
Kennis van leerstofopbouw
Kennis van taakprogressies verwijst naar het vermogen om oefeningen, taken en instructies systematisch op te bouwen en aan te passen aan het leerdoel. In gymnastiek kan een leerkracht bijvoorbeeld beginnen met rollen, daarna moeilijkere oefeningen toevoegen en uiteindelijk werken naar het uitvoeren van een salto. In voetbal kan de opbouw gaan van algemene balvaardigheden naar kleine spelvormen en uiteindelijk naar een vier tegen vier-spel. Deze kennis houdt ook in dat een leerkracht progressie of regressie van een oefening kan voorzien, zodat alle leerlingen kunnen oefenen op hun niveau. Een voorbeeld hiervan is het gebruiken van een hellend vlak om het voor leerlingen gemakkelijker te maken om een voorwaartse rol uit te voeren (Iserbyt et al., 2015).